Een brandstichtster in het Oranjehofje betrapt.
(eerder gepubliceerd in "De Schatkamer", Regionaal Historisch Tijdschrift Midden-Holland, jaargang 29, nr. 3 - december 2015)

Als een lopend vuurtje ging op 11 maart 1912 het verhaal door de Goudse Raambuurt, dat Kaat van Dijk brand had gesticht in haar eigen woning.

Deze Kaat was de 24-jarige Catharina van Dijk, huisvrouw van Adrianus Arie Geers. Ze woonde nog maar kort in Gouda. Catharina en Adrianus Arie waren in 1906 in Waddinxveen getrouwd. Ruim een maand na hun trouwen kwam hun zoontje dood ter wereld. In 1907 werd hun dochter Alida in Waddinxveen geboren en in 1909 hun tweede dochter Johanna Janna. In november van dat jaar verhuisde het gezin naar Gouda. In februari  1910 overleed hun dochtertje Johanna Janna. Adrianus Arie die oorspronkelijk boomkweker was had werk gevonden als stoker, want dat beroep had hij toen in 1911 het overlijden van zijn zoontje Cornelis van 3 maanden oud aangaf. In het adresboek van Gouda van 1911 wordt hij echter nog “boomkweeker” genoemd.

Zij woonden op de Raam in het Oranjehofje, het laatste hofje dat in Gouda werd gebouwd. Het Oranjehofje was een klein complex van een tiental arbeiderswoningen, dat in 1887 werd gebouwd.[1]
Het gezin was in financiële problemen geraakt. Catharina zag geen uitweg meer en zij besloot op die bewuste maandag om haar huis in brand te steken. Op de zolder van de woning overgoot ze de daar liggende turven met petroleum. Een paar met deze brandbare vloeistof doordrenkte turven nam ze mee naar beneden en stopte die in een kastje in de bedstee. Ze haalde het meisje, dat bij het gezin inwoonde, over om te gaan wandelen. Nadat ze het huis hadden verlaten zei Catharina, dat ze nog even terug moest om iets op te halen. Vervolgens stak ze op beide plaatsen de petroleum in brand. Toen beide vrouwen terugkwamen bleek de brand te zijn ontdekt en geblust. De schade bleef beperkt tot een verbrande stoel, een kapokbed en wat goederen. Ook was de vloer van de verdieping beschadigd. Al gauw viel de verdenking op Catharina, die onmiddellijk bekende. Als motief gaf ze op, dat ze het geld van de brandverzekering (duizend gulden) hard nodig had omdat ze geen enkele uitweg meer zag uit de financiële problemen, waarmee het gezin te kampen had.


Catharina Van Dijk werd vanuit Gouda overgebracht naar het huis van bewaring in Rotterdam. De nieuwsgierigen verdrongen zich bij het Goudse politiebureau om een glimp van haar op te vangen toen ze met een koets naar het station werd gebracht. De meeste toeschouwers waren, volgens de verslaggever van de Goudsche Courant, vrouwen.


Op dinsdag 21 mei werd de zaak behandeld door de kamer van strafzaken van de Rotterdamse Arrondissementsrechtbank. De zaak was duidelijk. Catharina had bekend en spijt betuigd.

De substituut-officier mr. A.F.M. Steenberghe nam dit mee bij het bepalen van zijn strafeis: negen maanden gevangenisstraf.
De rechtbank veroordeelde haar tot een gevangenisstraf van drie maanden. Haar advocaat legde zich neer bij het oordeel van de rechter.

De positie van het gezin in het Oranjehofje was door de daad van Catharina onhoudbaar geworden. In het bevolkingsregister van Gouda werd aangetekend dat het gezin al op 14 maart 1912 (drie dagen na de brand!) verkaste van Raam 232 naar Raam 216. Op 18 september 1912 verdween het gezin definitief uit Gouda om terug te keren naar hun oude woonplaats Waddinxveen.

Op 22 september 1921 werd in Leiden een doodgeboren dochtertje van hen aangegeven met de vermelding dat het echtpaar in Waddinxveen woonde waar Adrianus Arie Geers werkman was.

Jan Lafeber,
Gasselte, september 2015




Bronnen:


1)     Het verhaal is gebaseerd op het nieuwsberichten (o.a. in de Goudsche Courant d.d. 12 en 13 maart 1912), het verslag van de rechtszaak (Goudsche Courant d.d. 22 mei en het Rotterdamsch Nieuwsblad d.d. 23 mei 1912) en het vonnis van de rechtbank (Goudsche Courant d.d. 5 juni 1912 en het Rotterdamsch Nieuwsblad d.d. 6 juni 1912)
2)     Akten burgerlijke stand Gouda en Waddinxveen en het bevolkingsregister van Gouda
3)     Adresboek 1911 Gouda





[1]Volgens de stichtingsteen boven de ingang werd de eerste steen gelegd door M.C. van der Burg op 18 juni 1887. Volgens „Stad van de Gouwenaars”, deel 1, blz. 113 is het hofje vermoedelijk ouder. Waar dit vermoeden op gebaseerd is wordt echter niet vermeld.










Terug naar homepage