Zinloos geweld op de Varkenmarkt.
(eerder gepubliceerd in "De Schatkamer", regionaal historisch tijdschrift jaargang 21, afl. 1 - april 2007)

Het is een rustige lentenacht 30 april 1743.  Maar de twee mannen, die laat in de nacht door de Spieringstraat, langs het kerkhof naar de Vogelenzang lopen, zijn allerminst rustig.
Nou ja, mannen: één van hen is nog een jongen van 15 jaar, de schoenmakersleerling Philip Hogenboom, maar hij doet zeker niet onder voor zijn maat, de 21-jarige lakenwever Willem Carlier. (1)
Schreeuwend en vloekend lopen ze door de Vogelenzang naar de Varkenmarkt, op weg naar de moeder van Philip, Margje Jans, ook wel de lange Naaijer genoemd, die vast nog wel wat te drinken voor hen zal hebben. Zij drijft een niet zo best bekend staande kroegje aan ‘t Watertje. (2)

Maar eerst zijn ze nog op zoek naar ... ?  Ja, naar wat? Iedere voorbijganger op dit uur van de nacht loopt het risico een slachtoffer van deze ruziezoekers te worden.  Maar ja, midden in de nacht is er niet zo veel volk bij de weg.
Maar toch, op de Varkenmarkt gekomen, zien ze bij het bruggetje in de buurt van de Nieuwsteeg een vrouw zoekend rondlopen.
“Die zullen we eens flink te grazen nemen”, is hun niet uitgesproken, maar wel beider idee.

Cornelia de Jager (3) - de vrouw op het bruggetje - is vertwijfeld op zoek naar haar dertienjarige zoontje Mees, die die avond niet is thuisgekomen. Zij ziet beide mannen aan komen lopen. Eerst hoopt ze dat deze mannen misschien wel kunnen helpen bij haar zoektocht naar haar zoon. Maar de houding van deze mannen voorspelt niet veel goeds.
Cornelia ziet tot haar grote schrik, dat beide mannen grote messen tevoorschijn trekken en slijpgebaren beginnen te maken langs de stenen van de muur waar ze staan. Ze kijkt nog eens goed en herkent Philip. “Foute boel’, denkt ze, de niet al te beste reputatie van Philip kennende. In zijn maat meent zij een eveneens niet al te goed bekend staande wever te herkennen.
Haar angst is niet ongegrond. “Grijp die donderse hoer” zegt de één. “Laten we haar maar direct in het water gooien”, zegt de ander. De mannen voegen de daad bij het woord. Philip gooit haar op de grond en zodra ze weer opstaat doet Willem het nog eens dunnetjes over en kwakt haar opnieuw tegen de keien. Ze pakken de arme vrouw, slepen haar de leuning van de brug en dreigen haar in het water te gooien. Eén van de mannen begint onderwijl met zijn mes het kleed van Cornelia aan stukken te snijden.

Cornelia is aanvankelijk verlamd van schrik en weet van angst niet hoe zich te verweren. Gelukkig komt ze weer bij zinnen en begint keihard om hulp te roepen. Haar hulpgeroep klinkt indringend door de stille nacht. Eerst denkt ze, dat iedereen ligt te slapen en niemand haar zal horen. Maar ook beide mannen schrikken. Willem drukt Cornelia over de leuning, maar Philip, bang geworden door het geschreeuw, zegt tegen zijn maat “geef haar maar een trap, zodat dat beest van je af vliegt”.


De Varkenmarkt ca 1910
(bron: "Goudsche straatnamen" door dr. A. Scheygrond)

Er klinkt geluid van rennende voetstappen.  Twee mannen, die net uit het huis van Philips moeder  aan ‘t Watertje zijn gekomen, hebben iets verdachts gezien en na het hulpgeroep van Cornelia komen zij heel hard aangelopen.
Het zijn Cornelis Blom, alias Kees Koot, en Philip de bezemmaker, die de redders in nood blijken te zijn. “Hoe kan je een vrouw zo toe takelen” verwijt Keest Koot de beide  geweldplegers en hij weet Cornelia te bevrijden van haar belagers, waarbij Kees zelf het nog zwaar te verduren krijgt. Alle agressie van de beide mannen richt zich nu op hem, maar hij weet zich aardig te redden.

Cornelia is zo kwaad, dat ze direct naar het huis van de “lange Naaijer” loopt om daar haar beklag te doen over het gedrag van haar zoon. Maar Margje zegt daarop heel laconiek, “als je wat hebt, dan kom je morgen maar terug”.
Pas de volgende morgen ontdekt Cornelia hoe beide jongens haar hebben toegetakeld en dat haar hele voorschoot in stukken is gesneden. Ze doet daarop aangifte van mishandeling door beide mannen.

De eis van de baljuw tegen beide mannen is : geseling en twaalf jaar tuchthuisstraf. Ze worden uiteindelijk ‘slechts’ veroordeeld tot één jaar tuchthuisstraf.
De tuchthuisstraf heeft Philip zeker niet ten goede veranderd. Al weer op 28 januari 1745 is hij aanwezig en betrokken  bij de mishandeling van de diender Pieter de Koning in het huis van zijn moeder aan het Agnietenwatertje of Lombardswatertje (zie: De lotgevallen van de diender Pieter de Koning  in Gouda rond 1750).

Jan Lafeber,
22 september 2006


Voetnoten:
(1) Vermoedelijk is dit de Willem Carlier, die veertien dagen voor dit voorval (op 15 april 1743) is getrouwd met Jacoba Beversluis.
(2) Marrigje Jans werd beurtelings “de Lange Naaijer” of “de Lange Mooije” genoemd. Zij trouwde in 1724 met Hendrik Hogeboom. Hun zoon Philippus werd in 1728 geboren. Marrigje dreef een kroegje aan ‘t Watertje, dit is het Agnietenwatertje of Lombardswatertje dat vroeger van de Zeugstraat naar de Vogelenzang (= Wilhelminastraat) langs de Agnietenkapel liep.
(3) Cornelia de Jager was weduwe van Jan Onderwater met wie zij in 1732 was getrouwd. Zij was daarvoor eerder getrouwd geweest (in 1730) met Joost Meesse Tuinenburg. Haar zoontje Bartholomeus (Mees) is een kind uit dit eerste huwelijk; hij werd in 1730 geboren.

Bronnen:
1) Informatieboek Baillu, inv. nr. 159, Oud Rechterlijk Archief Gouda, Streekarchief Midden Holland.
2) Crimineel Vonnisboek, inv. nr. 180, Oud Rechterlijk Archief Gouda, Streekarchief Midden Holland.



Terug naar homepage